Een kind maakt in de periode van 0-6 jaar een enorme ontwikkeling door van volledig afhankelijke baby naar (schoolgaande) kleuter. Als de ontwikkeling normaal verloopt, bereikt het stap voor stap een aantal mijlpalen. Leren lopen en praten zijn bijvoorbeeld belangrijke vaardigheden die het kind helpen om contact te maken en de wereld te ontdekken. De ouders leren in deze periode het temperament van het kind kennen. Zij ontdekken manieren om met hun kind om te gaan en de ontwikkeling te stimuleren. In elke fase krijgt het kind te maken met nieuwe uitdagingen en het aanleren van nieuwe vaardigheden (bijvoorbeeld zindelijkheid). Meestal hebben kinderen tegen de tijd dat ze naar groep 1 gaan interesse in andere kinderen ontwikkeld. Op school is de groep belangrijk, en wordt het vermogen om (samen) te spelen en te leren bevorderd.
Bij een kind met autisme hangt het deels van de ernst van het autisme en de intelligentie af of er in deze periode al duidelijke symptomen zichtbaar zijn. Het niet of nauwelijks oogcontact maken is een duidelijk teken dat er iets aan de hand is. De tekenen kunnen ook subtieler zijn, zoals een trage of bijzondere ontwikkeling op bepaalde gebieden. Soms zien we weinig bereidheid tot exploratie van de buitenwereld of een beperkte, bijzondere interesse in deelgebieden. Ze lijken dan ook vaak de interesse in sociale situaties en leeftijdgenoten te missen. Ouders merken in deze periode meestal dat hun 'gewone' oplossingen in de opvoeding niet het gewenste effect hebben.
Vanuit de hulpverlening is het van belang (voorstadia) van autisme zo vroeg mogelijk te onderkennen en te onderzoeken. Vroeginterventie kan ouders en anderen (zoals leerkrachten) snel helpen het gedrag van het kind beter te begrijpen en bij te sturen, waardoor de ontwikkeling van het kind gunstiger kan zijn. Het versterken van (het gevoel van) competentie van ouders kan in deze fase al problemen in de relatie tussen ouder en kind helpen voorkomen.

